У нас вы можете посмотреть бесплатно Gelukkig is het land - Gez. 416/Joh. de Heer 752 (met tekst) или скачать в максимальном доступном качестве, видео которое было загружено на ютуб. Для загрузки выберите вариант из формы ниже:
Если кнопки скачивания не
загрузились
НАЖМИТЕ ЗДЕСЬ или обновите страницу
Если возникают проблемы со скачиванием видео, пожалуйста напишите в поддержку по адресу внизу
страницы.
Спасибо за использование сервиса ClipSaver.ru
1.Gelukkig is het land, dat God de Heer beschermt, als daar met moord en brand, de vijand rondom zwermt en dat, men meent, hij zal, 't schier overwinnen al, dat dan, dat dan, dat dan, hij zelf komt tot den val. 2.Gedankt moet zijn de Heer, de God, die eeuwig leeft. dat Hij ons t' zijner eer, deez' overwinning geeft. Wat wonder heeft de kracht, des Heren al gewrocht, o Heer, o Heer, o Heer, hoe groot is Uwe macht. Jan van Biezen schrijft in het Compendium bij de gezangen uit het Liedboek voor de Kerken: De melodie is genoteerd volgens de 'Nederlandtsche Gedenck-clanck' van 1626. Valerius rekent haar onder de 'Engelsche Stemmen': 'Stem: op de Engelsche Min; of: Noch leef ick in verdriet, etc.' In de Hervormde Bundel 1938 staart er om die reden waarschijnlijk bij 'Engelse melodie'. Herkomst Taal : Nederlands Periode :Omstreeks 1625 Tekst Dichter :Adriaan Valerius Muziek Herkomst oud engels Liedbundels: Liedboek voor de kerken :Gezang 416 Hemelhoog :447 Zangbundel Joh. de Heer :752 ELK :279 H1938 :304 Van Valerius' lied blijven doorgaans alleen vers 1 en 4 over. De Zangbundel Joh. de Heer geeft ook vers 2. Ontstaan Inhoud tekst Valerius’ Gedenckclanck 1626: 1 Geluckig is het Land, Dat God den Heer beschermt, Als daer met moord en brand, De vyand rontom swermt. End’ datmen meent hij sal ’t Schier verwinnen al, Dat dan, dat dan, dat dan Hy selfs komt tot den val. 2 De Hoeder Israels Die slaept noch sluymert noyt, Hy helpt uyt veel gequels Syn volck, ’twelck was verstroyt Door ’t Spaensche boos gebroet End’ doet haer noch dit goet, Dat self, Dat self, Dat self, De vyand loopen moet. 3 Gelyck ’t volck in een schip, ‘tWelck hort, en stuyt, en steeckt, Alst komt op eene klip, Van anxcst het sweet uytbreeckt. So staet nu oock consuys Maraen met syn gespuys, Die nu, Die nu, Die nu met schand moet loopen t’huys. 4 Gedanckt moet syn de Heer, De God die eeuwig leeft! Dat hy ons t’ zynder eer, Dees overwinning geeft; Wat wonder heeft de kracht Des Heeren al gewracht? O Heer! O Heer! O Heer! Hoe groot is uwe macht!