У нас вы можете посмотреть бесплатно O 't ruisen van het ranke riet - Guido Gezelle 1858 или скачать в максимальном доступном качестве, видео которое было загружено на ютуб. Для загрузки выберите вариант из формы ниже:
Если кнопки скачивания не
загрузились
НАЖМИТЕ ЗДЕСЬ или обновите страницу
Если возникают проблемы со скачиванием видео, пожалуйста напишите в поддержку по адресу внизу
страницы.
Спасибо за использование сервиса ClipSaver.ru
"O 't ruischen van het ranke riet" komt uit de dichtbundel 'Vlaamsche Dichtoefeningen (1858)' van Guido Gezelle, 28 jaar en leraar aan het Klein Seminarie in Roeselare. Dit is voor mij een groot voorbeeld van de klassieke poëzie. Dit is duidelijk geen brief: " Vandaag wandelde ik langs een beek en zag het riet buigen over het water". Bij het lezen van een brief zijn wij een toeschouwer, maar bij het gedicht van Gezelle krijg je een verwantschap. Gezelle stelde het riet niet zomaar voor, maar het vervulde hem. Hij was het riet! In de beperking van versregels met telkens acht lettergrepen in een jambische ritme (0-1-0-1...) , 0 is stemloos en 1 krijgt de klemtoon, wordt het riet een symbool, een beeld van zijn diepste gevoelens. Het riep een drang naar vereenzelviging in hem wakker, een ontroering die niet beter te beschrijven is dan met het woord: liefde. En in deze liefde, deze vereenzelviging, dit wonderlijk besef van mysterieuze verwantschap ligt de grond van het waarlijk schone. O! 't ruisen van het ranke riet! o wist ik toch uw droevig lied! wanneer de wind voorbij u voert en buigend uwe halmen roert, gij buigt, ootmoedig nijgend, neer, staat op en buigt ootmoedig weer, en zingt al buigend ‘t droevig lied, dat ik beminne, o ranke riet! O! 't ruisen van het ranke riet! hoe dikwijls dikwijls zat ik niet nabij den stillen waterboord, alleen en van geen mens gestoord, en lonkte 't rimpelend water na, en sloeg uw zwakke stafjes ga, en luisterde op het lieve lied, dat gij mij zongt, o ruischend riet! O! 't ruisen van het ranke riet! hoe menig mens aanschouwt u niet en hoort uw zingend' harmonij, doch luistert niet en gaat voorbij! voorbij alwaar hem 't herte jaagt, voorbij waar klinkend goud hem plaagt; maar uw geluid verstaat hij niet, o mijn beminde ruisend riet! Nochtans, o ruisend ranke riet, uw stem is zo verachtelijk niet! God schiep de stroom, God schiep uw stam, God zeide: "Waait!..." en 't windtje kwam, en 't windtje woei, en wabberde om uw stam, die op en neder klom! God luisterde... en uw droevig lied behaagde God, o ruisend riet! O neen toch, ranke ruisend riet, mijn ziel misacht uw tale niet; mijn ziel, die van den zelven God 't gevoel ontving, op zijn gebod, 't gevoel, dat uw geruis verstaat, wanneer gij op en neder gaat: o neen, o neen toch, ranke riet, mijn ziel misacht uw tale niet! O! 't ruisen van het ranke riet weergalleme in mijn droevig lied, en klagend kome 't voor Uw voet, Gij, die ons beiden leven doet! o Gij, die zelf de kranke taal bemint van enen rieten staal, verwerp toch ook mijn klachte niet: ik! arme, kranke, klagend riet! Guido Gezelle