У нас вы можете посмотреть бесплатно Psalm 115__Psalm 123__Psalm 125__126__Johannus Opus__1404 или скачать в максимальном доступном качестве, видео которое было загружено на ютуб. Для загрузки выберите вариант из формы ниже:
Если кнопки скачивания не
загрузились
НАЖМИТЕ ЗДЕСЬ или обновите страницу
Если возникают проблемы со скачиванием видео, пожалуйста напишите в поддержку по адресу внизу
страницы.
Спасибо за использование сервиса ClipSaver.ru
Niet ons, o HEERE, niet ons, Uw naam alleen Zij, om Uw trouw en goedertierenheên, All' eer en roem gegeven. Waarom, o HEERE, zou 't heidendom, met spot, Dan zeggen: "Waar, waar is toch nu hun God, Bij hen zo hoog verheven?" Vers 2 Nochtans is God het doel van onzen lof, Hij, onze God, Hij woont in 't hemelhof, En doet al Zijn behagen. Hun afgoôn zijn van zilver en van goud; Slechts mensenwerk, waaraan, zo snood als stout, Gods eer wordt opgedragen. Vers 3 Zij hebben wel een mond, doch die niet spreekt; Wel ogen, doch waaraan 't gezicht ontbreekt, 't Licht kan hun niets ontdekken; Geen klank, hoe schel, dringt immer hun in 't oor; Men zett' hun vrij den besten wierook voor, 't Kan hun geen reuk verwekken. Vers 4 Hun hand, hoe fraai bewerkt, tast nooit iets aan, Hun voet, hoe wèlgevormd, kan nimmer gaan; Hun keel geen klanken geven. Hun maker deel' in hun veracht'lijk lot; Die op hen steunt, miss' nevens hen 't genot Van 't duurgeschatte leven. Vers 7 Elk, die Hem vreest, hoe klein hij zij of groot, Wordt van dat heil, die weldaân, deelgenoot. Hij zal ze groter maken, En z' u, zowel als 't kroost, dat gij bemint, Dat nevens u, zich aan Gods wet verbindt, In dubb'le maat doen smaken. Ik hef tot U, die in den hemel zit, Mijn ogen op, en bid; Gelijk een knecht ziet op de hand zijns heren, Om nooddruft te begeren, En 't oog der maagd is op haar vrouw geslagen, Om hulp of gunst te vragen; Zo slaan wij 't oog op onzen HEERE, tot Hij Ook ons genadig zij. Vers 2 Geef ons genâ, geef ons genâ, o HEERE, En red ons tot Uw eer; Wij zijn reeds moe van al de schamp're woorden, Die wij van smaders hoorden; Ons treurig hart is moe van al het spotten, En 't honend samenrotten Der hovaardij, die need'rigen veracht, En weelderig belacht. Hij zal noch wank'len, noch bezwijken, Die op den HEERE vertrouwt, En op Zijn goedheid bouwt; Hij zal, als Sions berg, nooit wijken, Wiens grondslag door geen aards vermogen Ooit wordt bewogen. Vers 2 Gelijk 't gebergt', dat, hoog gerezen, Om Salem ligt gespreid, Zo is, in eeuwigheid, De HEERE rondom hen, die Hem vrezen; Rondom Zijn volk, 't welk Hij wil hoeden Voor tegenspoeden. Vers 3 Want hoe de bozen zich doen schromen Door wrede heerschappij, Nog zal hun dwing'landij Niet rusten op het lot der vromen, Opdat zij nooit, van 't recht geweken, Zichzelven wreken. Vers 4 Geef, HEERE, den goeden Uwen zegen; Doe wèl aan 't vroom gemoed; Maar hem, die onrecht doet, En die zich neigt tot kromme wegen, Zal God verdoen; doch Isrel leven En vrede geven. Wanneer de HEERE, uit 's vijands macht, 't Gevangen Sion wederbracht, En dat verlost' uit nood en pijn, Scheen 't ons een blijde droom te zijn. Wij lachten, juichten; onze tongen Verhieven 's HEEREN naam, en zongen. Toen hieven zelfs de heid'nen aan: "De HEER heeft hun wat groots gedaan." Vers 2 God heeft bij ons wat groots verricht; Hij zelf heeft onzen druk verlicht; Hij heeft door wond'ren ons bevrijd; Dies juichen wij, en zijn verblijd. Breng, HEERE, al Uw gevang'nen weder; Zie verder op Uw erfvolk neder; Verkwik het, als de watervloed, Die 't zuiderland herleven doet. Vers 3 Die hier bedrukt met tranen zaait, Zal juichen, als hij vruchten maait; Die 't zaad draagt, dat men zaaien zal, Gaat wenend voort, en zaait het al; Maar hij zal, zonder ramp te schromen, Eerlang met blijdschap wederkomen, En met gejuich, ter goeder uur Zijn schoven dragen in de schuur.