У нас вы можете посмотреть бесплатно Mattheüs 23_𝗝𝗲𝘇𝘂𝘀 𝘃𝗲𝗿𝗺𝗮𝗻𝗶𝗻𝗴. 𝗡𝗶𝗲𝘁 𝗮𝗹𝗹𝗲𝗲𝗻 𝗵𝗼𝗼𝗿𝗱𝗲𝗿𝘀 𝗱𝗲𝘀 𝗪𝗼𝗼𝗿𝗱𝘀 𝗲𝗻 𝗱𝗲𝗿 𝘄𝗲𝘁, 𝗺𝗮𝗮𝗿 𝗼𝗼𝗸 𝗱𝗮𝗱𝗲𝗿𝘀 𝗱𝗲𝘀 𝗪𝗼𝗼𝗿𝗱𝘀. или скачать в максимальном доступном качестве, видео которое было загружено на ютуб. Для загрузки выберите вариант из формы ниже:
Если кнопки скачивания не
загрузились
НАЖМИТЕ ЗДЕСЬ или обновите страницу
Если возникают проблемы со скачиванием видео, пожалуйста напишите в поддержку по адресу внизу
страницы.
Спасибо за использование сервиса ClipSaver.ru
Psalm 49 : 4 𝗔𝗹 𝘇𝗲𝗴𝘁 𝘇𝗶𝗷𝗻 𝗵𝗮𝗿𝘁: "𝗠𝗶𝗷𝗻 𝗵𝘂𝗶𝘀 𝘇𝗮𝗹 𝗲𝗲𝘂𝘄𝗶𝗴 𝘀𝘁𝗮𝗮𝗻, 𝗩𝗮𝗻 𝗸𝗶𝗻𝗱 𝘁𝗼𝘁 𝗸𝗶𝗻𝗱 𝗴𝗲𝗱𝘂𝗿𝗶𝗴 𝗼𝘃𝗲𝗿𝗴𝗮𝗮𝗻"; 𝗔𝗹 𝗵𝗲𝗲𝗳𝘁 𝗵𝗶𝗷 '𝘁 𝗹𝗮𝗻𝗱, 𝘄𝗮𝗮𝗿𝗼𝗽 𝘇𝗶𝗷𝗻 𝘁𝗿𝗼𝘁𝘀𝗵𝗲𝗶𝗱 𝗿𝗼𝗲𝗺𝘁, 𝗭𝗶𝗷𝗻 𝗴𝗿𝗼𝗼𝘁𝘀𝗵𝗲𝗶𝗱 𝗯𝗼𝘂𝘄𝘁, 𝗻𝗮𝗮𝗿 𝘇𝗶𝗷𝗻𝗲𝗻 𝗻𝗮𝗮𝗺 𝗴𝗲𝗻𝗼𝗲𝗺𝗱; '𝘁 𝗜𝘀 𝗮𝗹𝗹𝗲𝘀 𝘄𝗶𝗻𝗱, 𝘄𝗮𝗮𝗿 𝘇𝗶𝗰𝗵 𝘇𝗶𝗷𝗻 𝗵𝗮𝗿𝘁 𝗺𝗲𝗲 𝘀𝘁𝗿𝗲𝗲𝗹𝘁; 𝗗𝗲 𝗺𝗲𝗻𝘀, 𝗵𝗼𝗲 𝗺𝗶𝗹𝗱 𝗱𝗼𝗼𝗿 '𝘁 𝗮𝗮𝗿𝗱𝘀 𝗴𝗲𝗹𝘂𝗸 𝗯𝗲𝗱𝗲𝗲𝗹𝗱, 𝗛𝗼𝗲 𝗵𝗼𝗼𝗴 𝗶𝗻 𝗲𝗲𝗿, 𝗶𝗻 𝗺𝗮𝗰𝗵𝘁 𝗲𝗻 𝘀𝘁𝗮𝗮𝘁 𝘃𝗲𝗿𝗵𝗲𝘃𝗲𝗻, 𝗩𝗲𝗿𝗴𝗮𝗮𝘁 𝗮𝗹𝘀 '𝘁 𝘃𝗲𝗲, 𝗲𝗻 𝗱𝗲𝗿𝗳𝘁 𝗶𝗻 '𝘁 𝗲𝗶𝗻𝗱 𝗵𝗲𝘁 𝗹𝗲𝘃𝗲𝗻. 𝗩𝗲𝗿𝘀 𝟲 𝗠𝗲𝗻 𝗱𝗲𝗻𝗸𝘁 𝗻𝗶𝗲𝘁 𝗺𝗲𝗲𝗿 𝗮𝗮𝗻 𝗵𝘂𝗻 𝘃𝗲𝗿𝗹𝗲𝗱𝗲𝗻 𝘀𝘁𝗮𝗮𝘁, 𝗪𝗶𝗷𝗹 𝗮𝗹 𝗵𝘂𝗻 𝗴𝗹𝗮𝗻𝘀 𝗺𝗲𝘁 𝗵𝗲𝗻 𝗶𝗻 '𝘁 𝗴𝗿𝗮𝗳 𝘃𝗲𝗿𝗴𝗮𝗮𝘁; 𝗠𝗮𝗮𝗿 𝗻𝗮 𝗱𝗲𝗻 𝗱𝗼𝗼𝗱 𝗶𝘀 '𝘁 𝗹𝗲𝘃𝗲𝗻 𝗺𝗶𝗷 𝗯𝗲𝗿𝗲𝗶𝗱; 𝗚𝗼𝗱 𝗻𝗲𝗲𝗺𝘁 𝗺𝗶𝗷 𝗼𝗽 𝗶𝗻 𝗭𝗶𝗷𝗻𝗲 𝗵𝗲𝗲𝗿𝗹𝗶𝗷𝗸𝗵𝗲𝗶𝗱. 𝗩𝗿𝗲𝗲𝘀𝘁 𝗵𝗲𝗺 𝗱𝗮𝗻 𝗻𝗶𝗲𝘁, 𝗱𝗶𝗲 𝗴𝗿𝗼𝘁𝗲 𝘀𝗰𝗵𝗮𝘁𝘁𝗲𝗻 𝗵𝗲𝗲𝗳𝘁, 𝗪𝗶𝗲𝗻𝘀 𝗺𝗮𝗰𝗵𝘁𝗶𝗴 𝗵𝘂𝗶𝘀 𝗶𝗻 𝗲𝗲𝗿 𝗲𝗻 𝗮𝗮𝗻𝘇𝗶𝗲𝗻 𝗹𝗲𝗲𝗳𝘁; 𝗪𝗮𝗻𝘁 𝗵𝗶𝗷 𝘇𝗮𝗹 𝗻𝗶𝗲𝘁𝘀 𝗶𝗻 '𝘁 𝘀𝘁𝗲𝗿𝘃𝗲𝗻 𝗺𝗲𝘁 𝘇𝗶𝗰𝗵 𝗱𝗿𝗮𝗴𝗲𝗻; 𝗭𝗶𝗷𝗻 𝗻𝗮𝗮𝗺, 𝘇𝗶𝗷𝗻 𝗿𝗼𝗲𝗺, '𝘁 𝗹𝗶𝗴𝘁 𝗮𝗹 𝘁𝗲𝗿𝗻𝗲𝗲𝗿 𝗴𝗲𝘀𝗹𝗮𝗴𝗲𝗻. 1 Toen sprak Jezus tot de scharen en tot Zijn discipelen, 2 Zeggende: De Schriftgeleerden en de Farizeën zijn gezeten op den stoel van Mozes; 3 Daarom, al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hun werken; want zij zeggen het, en doen het niet. 4 Want zij binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouderen der mensen; maar zij willen die met hun vinger niet verroeren. 5 En al hun werken doen zij, om van de mensen gezien te worden; want zij maken hun gedenkcedels breed, en maken de zomen van hun klederen groot. 6 En zij beminnen de vooraanzitting in de maaltijden, en de voorgestoelten in de synagogen; 7 Ook de begroetingen op de markten, en van de mensen genaamd te worden: Rabbi, Rabbi! 8 Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden; want Een is uw Meester, namelijk Christus; en gij zijt allen broeders. 9 En gij zult niemand uw vader noemen op de aarde; want Een is uw Vader, namelijk Die in de hemelen is. 10 Noch zult gij meesters genoemd worden; want Een is uw Meester, namelijk Christus. 11 Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn. 12 En wie zichzelven verhogen zal, die zal vernederd worden; en wie zichzelven zal vernederen, die zal verhoogd worden. 13 Maar wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden! want gij sluit het Koninkrijk der hemelen voor de mensen, overmits gij daar niet ingaat, noch degenen, die ingaan zouden, laat ingaan. 14 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden, want gij eet de huizen der weduwen op, en dat onder den schijn van lang te bidden; daarom zult gij te zwaarder oordeel ontvangen. 15 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden, want gij omreist zee en land, om een Jodengenoot te maken, en als hij het geworden is, zo maakt gij hem een kind der helle, tweemaal meer dan gij zijt. 16 Wee u, gij blinde leidslieden, die zegt: Zo wie gezworen zal hebben bij den tempel, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij het goud des tempels, die is schuldig. 17 Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, het goud, of de tempel, die het goud heiligt? 18 En zo wie gezworen zal hebben bij het altaar, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij de gave, die daarop is, die is schuldig. 19 Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, de gave, of het altaar, dat de gave heiligt? 20 Daarom wie zweert bij het altaar, die zweert bij hetzelve, en bij al wat daarop is. 21 En wie zweert bij den tempel, die zweert bij denzelven, en bij Dien, Die daarin woont. 22 En wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods, en bij Dien, Die daarop zit. 23 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden, want gij vertient de munte, en de dille, en den komijn, en gij laat na het zwaarste der wet, namelijk het oordeel, en de barmhartigheid, en het geloof. Deze dingen moest men doen, en de andere niet nalaten. 24 Gij blinde leidslieden, die de mug uitzijgt, en den kemel doorzwelgt. 25 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeën, gij geveinsden, want gij reinigt het buitenste des drinkbekers, en des schotels, maar van binnen zijn zij vol van roof en onmatigheid. Vers 1 Gij, volken, hoort; waar g' in de wereld woont, 't zij laag van staat, of hoog, met eer bekroond; 't zij rijk of arm, komt, luistert naar dit woord. Mijn mond brengt niets dan lout're wijsheid voort, bij mij in 't hart opmerkzaam overdacht. Ik neig het oor, daar 'k op Gods inspraak wacht, naar 's HEEREN spreuk, en zal u, op de snaren der blijde harp, geheimen openbaren. Vers 2 Wat zou mij toch doen vrezen in een tijd, Waarin het kwaad, het onrecht mij bestrijdt, Als ik omringd, benauwd ben door 't geweld, Dat in mijn val zijn hoogst genoegen stelt? Wat hem betreft, die op zijn schat betrouwt, En al zijn roem op groten rijkdom bouwt, Zijn schat behoudt zijn broeder niet in 't leven; Hij kan daarvoor aan God geen losgeld geven.