У нас вы можете посмотреть бесплатно Cassatievlog или скачать в максимальном доступном качестве, видео которое было загружено на ютуб. Для загрузки выберите вариант из формы ниже:
Если кнопки скачивания не
загрузились
НАЖМИТЕ ЗДЕСЬ или обновите страницу
Если возникают проблемы со скачиванием видео, пожалуйста напишите в поддержку по адресу внизу
страницы.
Спасибо за использование сервиса ClipSaver.ru
Hoge Raad 16 september 2022 (eiseres / verweerster) ECLI:NL:HR:2022:1222 Het CMR bevat geen regel van bewijslastverdeling voor de vraag of door de douane aangetroffen goederen dezelfde zijn als door de afzender aan de vervoerder zijn meegegeven. Die bewijslastverdeling wordt daarom door het nationale recht geregeld (art. 150 Rv). Dit brengt mee dat de vervoerder, als hij zijn schade wil verhalen op de afzender, moet bewijzen dat de afzender hem de aangetroffen goederen heeft meegegeven. Jerre de Jong bespreekt deze uitspraak. Ga naar https://cassatieblog.nl en schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief. Zo ben je altijd op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op het gebied van de civiele cassatierechtspraak in Nederland. Uitspraak Hoge Raad: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitsp... ----------------------------- De Hoge Raad heeft uitspraak gedaan over de vraag of het CMR-verdrag een bijzondere regel van bewijslastverdeling bevat. Wat was er aan de hand? Een afzender had vier pallets met dozen meegegeven aan een chauffeur van een vervoerder. Volgens de vrachtbrief ging het om keukenartikelen. De dozen moesten worden afgeleverd in het Verenigd Koninkrijk. Op de vervoerovereenkomst was van toepassing het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (het CMR). Bij een controle door de Franse douane werden echter geen keukenartikelen aangetroffen, maar sigaretten waarover geen accijns was betaald. De chauffeur van de vervoerder werd aangehouden en heeft een nacht in de cel doorgebracht. Zijn vrachtwagen en de inhoud daarvan zijn enige tijd in beslag genomen. De vervoerder stelt dat hij door deze gang van zaken ruim € 24.000 schade heeft geleden. Hij verwijt dit aan de afzender, die hem met de sigaretten op pad zou hebben gestuurd. Het springende punt in de procedure blijkt de bewijslastverdeling. Moet nu de vervoerder bewijzen dat de afzender hem - anders dan in de vrachtbrief was vermeld - in werkelijkheid sigaretten heeft meegegeven? Of moet de verzender aannemelijk maken dat hij wel degelijk keukenartikelen (althans géén sigaretten) heeft meegegeven en dat de dozen na het inladen kennelijk zijn verwisseld? Het hof legt de bewijslast bij de vervoerder. Die baseert zijn vordering erop dat de dozen die in Frankrijk in beslag zijn genomen dezelfde dozen waren als die de afzender aan hem had meegegeven. De vervoerder moet die feitelijke grondslag van zijn vordering - die de afzender gemotiveerd had betwist - daarom bewijzen. Dit volgt uit art. 150 Rv en het CMR bevat geen regel die hiervan afwijkt. Omdat de vervoerder het bewijs niet heeft geleverd, wijst het hof zijn vordering af. De vervoerder gaat in cassatie. De Hoge Raad stelt voorop dat het CMR moet worden uitgelegd aan de hand van het Weens Verdragenverdrag. Hij wijst er vervolgens op dat het CMR geen uitdrukkelijke regels bevat over de vraag of in een geval als dit de vervoerder moet bewijzen dat de bij controle aangetroffen goederen dezelfde zijn als de door de afzender meegegeven goederen. Dergelijke regels liggen volgens de Hoge Raad ook niet in het CMR besloten. Daarom is niet het CMR, maar het nationale recht bepalend voor de bewijslastverdeling. Het hof heeft het dus goed gedaan.